
Samen met de jongens in bed kruipen om het laatste hoofdstuk van de dag af te sluiten met een verhaal. Het lukt me niet altijd, omdat er óók nog een huid- en borsthongerige baby moet slapen, maar ik hou er wel van. Om als een warm hotdogworstje tussen mijn kinderen gesandwicht te liggen. En wat kruimeltjes mee te pikken van hun dag.
Als kind vond ik dat samen-afsluit-moment ook al heerlijk. Mijn vader stopte mij dan in als een rupsje, waarbij hij een coconnetje maakte van mijn deken. Zelfs als ik dringend moest plassen, bleef ik zitten omdat het zo gezellig voelde – als ik het écht niet kon ophouden, wurmde ik mij voorzichtig uit de opening zodat ik nadien opnieuw in de dekencocon kon kruipen.
Nu geef ik het samen-afsluit-moment weer een generatie door, met wat eigen aanpassingen.
‘Ik wil een verhaaltje uit de mond’, klinkt het vaak als ik onze zonen in bed stop. Niet dat ik soms vertel in gebarentaal. Ze bedoelen daarmee dat ik zelf een verhaal moet verzinnen. Niet uit een boek. Wel uit mijn mond dus.
‘Iets met een magische toverdeur naar een andere wereld’, voegt de oudste er vaak nog aan toe. Dan kiezen we elk nog een dier als personage. En schets ik de verhaallijn terwijl ik spreek. Dat is de ene keer al een groter succes dan de andere keer – vooral als er scheetjes, stunts en ‘domme’ dieren in voorkomen.
Als ik vastloop of wat extra inspiratie wil, betrek ik de jongens hun fantasie in het verhaal. Dan vullen zij mijn zin aan als ze een por krijgen in hun zij – zoals ‘en wat zagen ze daar plots achter de struiken: …’. Het scherpt mijn creatieve potlood én dat van hen. En zo krijg ik ook een inkijk ‘in hun mond’.
Op een speelse manier verwerk ik vaak dingen van de dag in die verzinsels. Als ik boos ben geweest, verschijnt er plots een gelijkaardig personage. Ik overdrijf dan bewust, draai de rollen om of laat het faliekant aflopen voor ‘de boze moederrolfiguur’. Als er gelachen wordt, wordt er verwerkt – denk ik dan.
Heerlijk vinden ze dat. En ik vaak ook, maar niet altijd. Als ik geen ruimte voel, start ik er niet aan. Soms leggen ze de lat vooraf zo hoog – ‘echt grappig maken hè moeke’ – dat mijn fantasierijke potloodpunt instant afkraakt. Soms krijg ik te horen ‘dat was echt saai’. Dan vragen ze nog ‘een telefoontje’, waarbij ik imaginair bel met iemand die ze kennen. Of ‘een snuffeltje’, waarbij ik in hun oren ruik wat ze zogezegd mispeuterd hebben die dag. Ook dat klinkt de ene keer al grappiger dan de andere.
Net als het leven zelf, zegt. Dat is ook vaak onvoorspelbaar. Soms grappig, soms saai. Wie weet: als ze hun creatieve potloodpunten nu al goed leren scherpen en gebruiken, zullen ze later misschien minder snel kraken. Dat hoop ik uit de grond van mijn hart. En mijn mond.
_
Column: geschreven voor en verschenen in het magazine ‘De Bond’ van Gezinsbond