
Van Grottes de Lacave naar bedevaartsoord Rocamadour. Zo zag onze campertripdag er een paar dagen geleden uit.
Een krakkemikkig treintje brengt ons door een dunne gang naar de binnenkant van de berg. De volle treinsporen doen zijn lege maag rommelen. De kindjes kijken vol spanning rond en zoeken wat geruststelling in onze blikken. Als de deuren openschuiven, lopen we de rode fleecetrui van onze gids achterna.
Het donker duwt Sus nog dichter tegen onze lijven dan anders. Dat voelen we aan onze kuiten, met meer dan 100 trappen over de hele grot. Maar de beloning is groot. We zien stalactieten en stalagmieten in alle vormen en formaten: van een vlinder en olifant tot een krokodillen- en doodshoofd.
De beloning is zelfs dubbel zo groot. Want de indrukwekkende natuursculpturen worden prachtig weerspiegeld door de poeltjes op de bodem. Die zijn natuurlijk ontstaan: de rand is eigenlijk een lange stalagmiet. Wonderlijk mooi, zeker als het water een rilling krijgt na de aanraking van een eenzame druppel.
Wat verder in de grot voelen we ons helemaal in een andere wereld: daar zien we stalactieten met lichtgevende fluogroene topjes. Het katapulteert mij terug naar de glimwormengrot die we ooit zagen in Nieuw-Zeeland. Een beetje magie op klaarlichte dag.
Eens we terug buiten zijn – na wat gezaag over een pluchen vleermuis die Mon niet kreeg in de onvermijdelijke cadeaushop – picknicken we aan een tuinbank met de zon als tafellaken. We zitten in het gezelschap van een familie hoge bomen en kleine zwerfpoezen. Het hars van de dennenbomen reikt naar beneden: het ruikt heerlijk.
‘Kijk maïs’, zegt een vrolijk ronddartelende Sus, wijzend naar de geelgroene dennenappels aan een tak. We lachen, tot Sus struikelt over een uitstekende dennenwortel en hard op zijn kaak valt.
Dit symboliseert hier onze dagen: het gaat vooral goed, maar soms ook (plots) wat moeilijk. Het ouderschap as it is.


